2021
In deze theoretische verkenning onderzoek ik hoe een krimpregio rechtvaardiger kan worden zonder een groeimodel na te willen jagen dat niet langer past. Parkstad is daarbij een belangrijk referentiepunt. De gebouwde omgeving is de plek waar mensen proberen het leven te leiden dat zij belangrijk vinden. Woningen, straten, openbare ruimte, voorzieningen, mobiliteit en toegang tot groen bepalen mede wat mensen in de praktijk kunnen doen.
Ik sluit aan bij theorieën over ruimtelijke rechtvaardigheid van Mustafa Dikeç en Edward Soja. Ruimtelijke ordening is nooit neutraal: plannen kunnen uitsluiting creëren of versterken, terwijl de fysieke vorm van een plek sociale en economische kansen op lange termijn beïnvloedt. Met de capabilitybenadering van Amartya Sen vraag ik daarom niet alleen of middelen gelijk worden verdeeld, maar of mensen in hun eigen omstandigheden werkelijk vrijheid hebben om welzijn na te streven.
Een groei-afhankelijk ontwikkelingsmodel heeft vanuit dat perspectief een blinde vlek. Het meet succes vaak via economische groei, vastgoedwaarde en concurrentie om schaarse ruimte. Dat kan de totaalsom verbeteren terwijl sommige bewoners juist minder keuzes overhouden. Degrowth biedt een andere oriëntatie. Het stelt activiteiten ter discussie die ecologische schade vergroten of opbrengsten concentreren, en maakt ruimte voor gedeeld eigendom, publieke voorzieningen, langzame en collectieve mobiliteit, lokale voedselproductie, co-housing en initiatieven uit de gemeenschap.
Voor regio’s met demografische en economische krimp is dat relevant. Het gebrek aan externe investeringen kan de grenzen van groei-denken zichtbaar maken, maar ook ruimte openen voor lokaal initiatief. Gemeenten, scholen, organisaties, ondernemers en bewoners kunnen voortbouwen op geschiedenis, identiteit, landschap en sociale relaties, in plaats van die ondergeschikt te maken aan groeidoelen. Degrowth is daarbij niet hetzelfde als onvrijwillige recessie of nostalgie. Het gaat om een bewuste herordening waarin welzijn niet afhankelijk is van steeds meer consumptie.
Ik zie krimpsteden daarom ook als mogelijke proeftuinen. De opgave is een gebouwde omgeving te maken mét en voor lokale mensen, die hun capabilities uitbreidt in plaats van beperkt. Dat vraagt om een ander gesprek over schaal, openbare ruimte, politieke keuzes en de vormen van samenwerking waarmee bewoners hun dagelijkse omgeving zelf kunnen vormgeven.